zondag 18 april 2010

De Oorlog tegen Drugs (fragment)
Verhaal van D.C. Lama uit de verhalenbundel Wieteratuur (2010, ISBN 9789067281966). Te bestellen via deze link.

Voordat het plantje in de jaren ‘60 zijn opmars maakte als rookwaar in Nederland, was het door toedoen van de Amerikanen al op de VN-lijst van verboden middelen gezet. De gedachte dat cannabis wel schadelijk moet zijn, is het resultaat van jarenlange propaganda. De verschuiving van ‘Mannen krijgen borstgroei van marihuana’, zoals in de jaren '50 en '60 nog werd beweerd, naar ‘Cannabis leidt tot schizofrenie’ is vooral te danken aan de toegenomen kennis over het lichaam: die crap van mannentieten wordt simpelweg niet meer geslikt. Maar zodra er statistisch een verband kan worden gelegd tussen iets met de hersenen en cannabis, raakt men nog steeds direct in paniek. Er is een correlatie tussen schrizofrenie en cannabisgebruik, maar niets wijst op een direct oorzakelijk verband is. Ik raad niemand aan dag en nacht stoned te zijn, maar ik raad ook niemand aan dag en nacht drop te eten, computerspelletjes te spelen of zelfs constant na te denken over de toestand in de wereld.


Ewald zei dat hij er vandoor moest en ik wenste hem veel sterkte. Ik draaide mij weer naar de bar en zag de eigenaar van de shop. Hij vulde de voorraad aan; het was weer bijna tijd voor ‘de halers’. Tussen vier en zes was het altijd topdrukte bij de balie. Na half zeven zakte het even in en dan werd het tussen acht en tien uur weer wat drukker. Hoewel ik de eigenaar redelijk goed kende, wendde hij zijn blik al na een kort knikje af. Waarschijnlijk legde hij nu meer in de bakken dan de toegestane 500 gram, wat vooral tijdens spitsuur een onwerkbare handelsvoorraad is. Zeker na het sluiten van de dichtstbijzijnde andere shop, was het vaak erg druk in zijn zaak. Hij reed geregeld met zijn auto naar de voorraadplek elders, maar kon tijdens ieder ritje worden opgepakt als drugkoerier. Ook zo’n mooi woord uit de kranten: ‘drugskoerier’. Veelal in combinatie met het woord ‘opgepakt’.

Ik besloot nog even te blijven, want in deze shop raakte ik geregeld in gesprek met interessante mensen. Kunstenaars, studenten, zakenmensen, toeristen, politici... ze kwamen er allemaal. De shop is een plek waar mensen zichzelf kunnen zijn; ook als je even in eigen gedachten bent verzonken verzoekt de eigenaar je niet meteen de plek te verlaten. En de muziek is er stukken beter dan in de meeste kroegen, omdat hier niet de wet van de middelmaat, maar van de diversiteit geldt.

‘Jij bent D.C. Lama, he?’ vroeg een jong gastje dat naast me was komen staan. De EssensiE werd in deze shop verkocht en veel gelezen, dus echt verbaasd was ik niet. ‘Dan wil ik met jou wel eens een jointje roken.’

‘Geef me maar wat te drinken,’ antwoordde ik, een hijs nemend van mijn eigen joint. Ik had hem toevallig zijn joint zien draaien uit een zakje voor een tientje. Waarschijnlijk had hij, zoals veel jongens van zijn leeftijd, gevraagd om ‘de sterkste wiet’, terwijl ik dergelijke THC-bommen meestal niet te pruimen vind. Ieder zijn meug (er wordt al teveel onzin over THC-gehaltes geschreven: dat het een soort harddrugs zou zijn bijvoorbeeld), maar ik rook nou eenmaal liever planten waar de zon op heeft geschenen en waar minstens één onweersbui overheen is gegaan. Bovendien is mijn wiet altijd gratis, terwijl ik met mijn verhaaltjes pas na zeer lange tijd een glas drinken heb verdiend.

De jongen heette Sander en bestelde twee thee. Er was een tijd, nog niet eens zo lang geleden, dat je in een coffeeshop nog gewoon een biertje kon bestellen, maar dat is verboden omdat... nou ja, zoals er voor bijna geen enkele maatregel op het gebied van drugsbeleid een goede reden is. ‘Jij schrijft leuke verhalen man!’ zei Sander. Ik knikte, want ik was het met hem eens. 'Ik volg jou echt al van het begin!' Ik lachte, omdat ik vermoedde al langer te publiceren dan hij kon lezen. ‘Hoe oud ben jij?’ vroeg ik. ‘Zeventien,’ bekende Sander enigszins schamper. Ik zuchtte: zijn aanwezigheid kon tot sluiting van de shop leiden. De eigenaar mocht dan misschien wel gewoon proberen een horecagelegenheid draaiende te houden; bij een verkeerd getaxeerde bezoeker zaten er zonder veel gelul al planken voor de ruiten. Bij drie overtredingen van vergelijkbare grootte (leeftijdsgrens, een bezoeker met andersoortige drugs op zak, een te grote handelsvoorraad et cetera) zou het over en uit zijn met mijn shoppie.

Ik twijfelde of ik Sander weg moest sturen, want zelf zat ik op die leeftijd ook geregeld in de coffeeshop. Tot 1996 was de leeftijdgrens nog 16 jaar, zodat de markten voor verschillende drugs nog goed gescheiden konden blijven. We kwamen over zijn drugsgebruik te spreken en Sander vertelde twee, drie jointjes in de week te roken. 'Maar in het weekend neem ik wel eens een pilletje. Drie, vier keer per jaar.’ Het klonk als een zeer verstandige frequentie, hoewel ik 17 jaar best jong vond voor XTC. Het zou wel te maken hebben met een generatieverschil. ‘Maar dan toch wel een betrouwbaar pilletje, hè?’ vroeg ik en bedacht me meteen hoe stom die vraag was: hoe kon hij dat nou weten? Zolang alles in de illegaliteit is, kunnen producten niet gecontroleerd worden.

‘Ik weet niet of ik goede pillen heb,’ zei Sander en haalde drie pilletjes uit zijn portemonnee.
‘Stop weg man!’ snauwde ik. Op zich had ik er niets tegen dat hij pillen had, maar die moest ie niet meenemen naar de shop. Een bezoeker met zelfs de lulligste hoeveelheid zogenaamde harddrugs, is voor een coffeeshop, niet voor de bezoeker, namelijk direct een overtreding. Je kan dezelfde hoeveelheden gemakkelijk aantreffen in iedere willekeurige hockeyclub, bioscoop of overheidsgebouw (Een Duitse tv-ploeg trof in 46 toiletten van het Europees Parlement in Brussel maar liefst 41 sporen van cocaïne aan), maar de kop ‘Harddrugs gevonden in coffeeshop’ klinkt altijd als ‘Ja, zo was het drugsbeleid niet bedoeld!’

Lees de rest van dit verhaal in de verhalenbundel Wieteratuur van D.C. Lama. Te bestellen via deze link.