zaterdag 10 april 2010

Broodje Kadaver
Verhaal van D.C. Lama voor Zone 5300

Ik had veel te veel gezopen, gerookt en geblowd, maar was de volgende dag toch gewoon op mijn werk verschenen: ik meld mij liever ziek wanneer ik mij fit voel en het bijvoorbeeld mooi weer is. In mijn maag had het de hele dag geonweerd, als een vulkaan vol lava die ieder moment via een nog nader te bepalen uitweg tot ontlading kon komen. Ik had geen hap kunnen eten en verschillende keren zinloos boven het toilet gehangen. Maar ik had het gehaald: tegen zeven uur lag ik onderuitgezakt in de trein die mij in een kwartiertje naar huis zou brengen. Een mooie lome avond op de bank lag in het verschiet.

Op het eerste station waar het boemeltje stopte, werd mijn zen echter ruw verstoord door een vrouw met -ik rook het al voordat ik het papieren Burger Kut-zakje zag- in haar handen een patatje meur en een broodje dood dier. Een penetrante vette lijkenlucht vulde de coupé. Ik háát mensen met die troep in de trein. Is het dan echt te veel gevraagd die junk in je bek te douwen vóórdat je instapt?

Out of all de vrije plekken in de trein ging ze naast mij zitten. Ze klapte het blad van de stoel voor haar uit en haalde het broodje kadaver uit de verpakking. Doordat het koeiengraf vlak onder mijn neus lag, werd ik door de stank gewaterboard en mijn luchttoevoer geblokkeerd. De vrijgekomen vetmoleculen mengden zich met de sudderende massa in mijn maag. Alles achter mijn buikvel leek te borrelen. Het lukte mij dan ook niet de vrouw aan te spreken. Pas toen bij een volgend station de deuren van de trein even open gingen en frisse lucht werd aangevoerd, kon ik haar vragen of ze haar kassiewijle koe misschien wat verder van me af wilde houden. De vrouw keek mij verontwaardigd aan -hoe haalde ik het in mijn hoofd zoiets te vragen?- en antwoordde: 'Dat mag gewoon, hoor. Dat is niet verboden.'

Nee, natuurlijk is dat niet verboden! De spoorwegen verdienen kapitalen met de pacht van al die pizzahutten en snackchalets, zodat heel Obesitas Nederland er langs moet lopen als ze met de trein reizen. Als roken de NS meer had opgeleverd -iets wat nog alleen in speciaal daarvoor bestemde coupés mocht-, zou dat ook nog gewoon kunnen.

Mijn kleding, mijn haar, maar vooral alles ín mijn lichaam: overal had de geur van het gebakken stoffelijk overschot zich inmiddels verspreid. Mijn maag stond op springen, maar mijn eindbestemming naderde gelukkig snel. Ik stond op en schuifelde met mijn gezicht van haar afgewend naar het gangpad. En net toen mijn kont voorbij haar hoofd kwam -dichtbij, omdat ik mij langs haar uitgeklapte vreetplank moest manoeuvreren-, beleefde ik de ontlading waar ik de hele dag op had gewacht. Als een dikke blazer op een immense tuba, verlieten alle opgehoopte gassen mijn lichaam in een keihard schetensalvo. Alleen al door de luchtdruk werd de vrouw stevig in haar stoel gedrukt. Ze keek mij met grote ogen aan. Ik lachte haar vriendelijk toe en zei: 'Tja, dat is ook niet verboden.'