donderdag 2 juli 2009

Knikkers
Kort verhaal door D.C. Lama voor de EssensiE van juli 2009

‘Het gebeurt tussen groep 6 en groep 7: in één zomervakantie maakt de Donald Duck plaats voor de Tina, wordt Chipz ‘stom’, kan de Lego de kast in en verandert het geknuffel op de bank in een nieuwe, onbegrepen afstandelijkheid’, schrijven Huub Nelis en Yvonne van Sark in Puberbrein binnenstebuiten (Kosmos Uitgevers, ISBN 978-90-215-4195-2). De veranderingen in zo’n vakantie luiden volgens de auteurs de eerste fase van de pubertijd in. Hoewel ik de Tina nooit heb gelezen en geen idee heb wat Chipz is, kan ik mij die verandering nog wel herinneren. In mijn herinnering gebeurde die zelfs in een enkel voorval.

Het was midden in het knikkerseizoen, ook al zo’n periode die er zo plotseling is. Het seizoen ervoor, dat even onverwachts was verdwenen als gekomen, had ik buitengewoon succesvol afgesloten. Dankzij mijn befaamde ‘om de voet-techniek’ (geen idee meer hoe die ging) had ik een grote A1-posterkoker vol knikkers bij elkaar gespeeld, waarmee ik mij de ongekroonde knikkerkoning van de school waande. Daarna hadden weer even plotseling de lolobal, Star Wars-poppetjes of electric boogie (de jaren lopen in mijn geheugen wat door elkaar) het schoolplein gedomineerd, tot plots weer iemand een zakje knikkers had meegenomen en de gehele schoolpopulatie weer knikkerde alsof we alleen om die reden op aarde waren.

Slechts drie jongens uit mijn klas onttrokken zich hier aan, toevallig mijn beste vriendjes. Eén van hen was in het bezit van een Atari-spelcomputer, wat zelfs op De Grote School heel cool werd gevonden en wat knikkeren een inferieur spelletje maakte. Terwijl de andere kinderen op hun knieën rond de schoengedraaide putjes in de zandgrond zaten, bespraken deze drie vrienden de nieuwste Atari-spelletjes. Ik verkeerde in dubio. Ik vond Atari geweldig en had bovendien van mijn broer, al oud en in de brugklas, gehoord dat knikkeren op zijn leeftijd, die ook ik ongetwijfeld ooit zou bereiken, simpelweg ondenkbaar was. Wilde ik later naar De Grote School -en ik wilde niets liever dan dat-, dan moest knikkeren er toch vroeg of laat aan geloven. Aan de andere kant: ik had bewezen een groot knikkeraar te zijn en wilde dat nog best een jaartje demonstreren. Maar op die leeftijd gelden keuzes, die ik tot dan toe niet gemaakt had. Ik sleepte de koker weliswaar iedere dag mee naar school, maar dan stond ie -tot ver boven mijn middel- onaangetast naast me, terwijl ik met mijn beste vriendjes PacMan, Space Invaders, Frogger of andere spelletjes besprak. Het knikkeren overzag ik door af en toe te vragen wie de meeste knikkers had gewonnen, maar spelen deed ik niet. De vraag of ik -Koning Lama de Kleine- ook eens wilde spelen, pareerde ik met de opmerking dat ze dan maar eerst eens flink moesten oefenen. Maar of ik het nog allemaal in me had wist ik niet. Ik wist ondertussen heel goed hoe je een kikker moet laten oversteken, maar knikkeren had ik al maanden niet meer gedaan.

Het nieuwe talentje van het schoolplein bleek een guppie uit klas 3 (groep 5) te zijn. Hij had dan wel niet zo’n indrukwekkende overwinningskoker als ik, maar ondertussen al zoveel zakjes, dat hij die niet meer in één keer met zich mee kon dragen. Het was onvermijdelijk dat hij me zou uitdagen, met de reële kans dat ik daarbij mijn zorgvuldig bij elkaar geknikkerde reputatie in een vernederende serie potjes zou verliezen. Het was dan ook een Grease-moment, of High School Musical or whatever, toen hij op een dag zijn moed had verzameld en, geflankeerd door zijn twee jonge vriendjes, in een rechte lijn op me af liep. Het hele schoolplein keek toe. ‘Zullen we dan maar eens een potje knikkeren?’ vroeg Guppie en toonde mij -als bewijs van zijn competentie- de zakjes met knikkers, die ook zijn vriendjes met twee handen voor hem vasthielden.

Het was een vreemde situatie. Als ik moedig was ging ik op zijn uitdaging in, maar zou ik tegelijkertijd in mijn kindertijd blijven steken, met een nog jonger ventje als rivaal. Als ik toe zou geven aan mijn angst om te verliezen, moest ik een sprong voorwaarts maken en kiezen voor de toekomst: die van Atari! ‘Ach knikkeren,’ antwoordde ik zo nonchalant mogelijk, en leunde daarbij wat op mijn koker. ‘Dat vind ik zo kinderachtig.’ De laffe methode klonk het stoerst. Zo moest het alle kinderen toch duidelijk zijn: ik was natuurlijk zo goed in knikkeren omdat ik eigenlijk al best wel groot was en zo. Zo’n jongen val je niet meer lastig met een potje: die heeft al knikkers genoeg. ‘Ik geef ze nog liever weg dan dat ik voor jou op de knieën ga,’ gooide ik er nog een schepje bovenop. Dat liet het schoolplein zich geen tweede keer zeggen. Binnen enkele tellen schreeuwden de kinderen uit alle klassen door elkaar: ‘Mag ik ze dan hebben? Mag ik dan jouw koker?’ Het weggeven van mijn koker zou gelijk staan aan het overhandigen van een scepter: ik zou in één keer de nieuwe knikkerkoning met de meeste parels van het land benoemen.

Mijn Atari-vrienden haalden hun schouders op: wat zeurde ik toch over die kinderachtige knikkers. En dat was het moment dat ik mijn pubertijd in stapte. Met luide stem maande ik iedereen op minstens twee meter afstand te gaan staan, wat zij tot zeker tot anderhalve meter deden. Met grootse gebaren haalde ik de dop van mijn koker en zwaaide toen 90 graden in de rondte met de open kant naar beneden. In de gehele breedte van het schoolplein stuiterden de bonken, spikkels, orka’s, witjes en weet-ik-veel hoe we ze noemden op de tegels. De afstand tot mijn schoolgenoten werd iedere seconde groter, omdat zij allen achter de knikkers aangingen. Iets wat velen tot op de dag van vandaag lijken te doen.