dinsdag 2 juni 2009

Nat
Kort verhaal van D.C. Lama voor de EssensiE van augustus 2008

De kroeg was gesloten; ik stond weer buiten. Het was nog veel te vroeg om over een fatsoenlijke sluitingstijd te spreken, maar daar heeft men in de hoofdstad al jaren geen boodschap meer aan. Als roker had ik sowieso al heel veel buiten gestaan, tussen de uitlaatgassen van passerende auto’s. Dat gold trouwens ook voor de meeste niet-rokers, want de kroeg was binnen zo goed als verlaten, terwijl het buiten op straat (voor ons, niet voor de buren) gezellig druk was. De anti-rookmaatregel leek me ook meer een anti-alcoholmaatregel, want aangezien er geen glas mee naar buiten mocht, had ik die avond slechts een paar biertjes gedronken.

Alsof de burgemeester ook God had verordend om op dit tijdstip schoon te maken en af te sluiten, brak met een heftige onweersknal plots een stortbui uit. En alsof de M.E. plots traangas in de groep had gegooid, vluchtten de resterende bezoekers snel naar huis. Ik snelde richting mijn fiets. In een portiek knoopte ik mijn jas zo hoog mogelijk dicht en stopte ik mijn shag, mijn wiet, mijn portemonnee en telefoon in de meest beschermende plek die ik kon bedenken: mijn binnenzak. Mijn sloten openend werd mij al duidelijk dat dit niet veel zou helpen: ik zou doorweekt mijn huis bereiken.

Met veel gepruts hing ik mijn fietslichtjes op, want daarvoor was ik de laatste tijd al veel te vaak beboet. Zeker sinds de ausweiss-controles is zonder licht fietsen wel een erg dure grap geworden, maar er zijn nou eenmaal grenzen waar ik nooit met paspoort overheen zal gaan. Ik vervloekte ondertussen het weer. Aan het einde van de straat hingen mijn haren al plat naar beneden en plakte mijn kleding al dusdanig tegen mijn lichaam, dat het voelde alsof ik in mijn blote kont door de stad reed. Het zicht was minimaal: ik leek door een dik douchegordijn te rijden waar maar geen einde aan kwam.

Het verkeerslicht op de kruising die ik naderde stond op rood, maar geen van de automobilisten had er moeite mee dat ik mijn voorrang pakte. Even dacht ik nog dat ik om die reden even verderop werd aangehouden, maar ook alcohol- of drugscontrole voor fietsers behoorde sinds enige tijd tot de mogelijkheden. As a matter of fact: niets viel meer uit te sluiten. Ik ben tenslotte ook nog cartoonist.

‘U bent flink doorweekt,’ zo sprak één van de twee agenten. Hij verhief zijn stem, aangezien de stortregen op zijn paraplu flink kletterde.
Ik knikte: ‘Daarom wil ook graag naar huis.’
‘Tja,’ sprak de diender: ‘Dat had u zich eerder moeten bedenken. Het was net nog droog. Maar nu....’ De man keek omhoog en schudde zijn hoofd: ‘Takkeweer!’
Zijn collega onderstreepte zijn woorden met geknik vanonder een eigen paraplu.
‘Uw broek zal wel plakken, niet?’ zo informeerde de eerste agent. Ik kon het niet ontkennen. ‘Dat kan gevaarlijke situaties opleveren. Als je moet uitwijken voor iets, dan bestaat de kans dat uw broek niet meegeeft. Zeker in de bocht.’
Ik zweeg, dat leek me beter.

‘U draagt een bril?’ zo vroeg de andere agent.
Ook dit leek mij een onzinnige vraag: het antwoord stond op mijn neus.
‘Dat is dus extra gevaarlijk. Bij dergelijke stortbuien wordt het zicht sowieso al zeer belemmerd, maar met druppels op de glazen blijft daar verdomd weinig van over. En aangezien uw haren de neerdalende druppels niet meer opvangen, is de kans groot dat de regen via uw hoofd direct in uw oogkassen druppelen. Dat kan zéér geváárlijke situaties opleveren!’
‘Wilt u mij nou beboeten voor...?’
‘Heeft u identificatie bij u?’ onderbrak de agent mij streng.
Uit mijn broekzak haalde ik een flyer die ik even daarvoor had meegenomen. Het papiertje was geheel doorweekt, verfomfaaid en onleesbaar geworden, en kon in die staat best voor een paspoort doorgaan. Als ik mijn echte had meegenomen, had me dit 60 euro voor een nieuwe gekost.
‘Laat dat maar even zitten,’ zei de agent met een blik op het propje. ‘En ik zal u voor deze keer ook geen boete geven.’ Het klonk alsof hij mij een dienst bewees. ‘Maar u moet hier wachten tot de buien over zijn, zodat u niet doorweekt deelneemt aan het verkeer.’
En dat deed ik natuurlijk, want de agenten zeiden het. Ook toen zij weer in hun auto waren verdwenen. Ik wachtte uren, dagen, maanden... omdat er aan het gezeik van boven maar geen einde leek te komen.