maandag 18 mei 2009

Oranje huis
Kort verhaal van D.C. Lama voor de EssensiE van mei 2009

Het WK-voetbal van 1990 was in aantocht en de oranjegekte bereikte langzaam mijn irritatiegrens. Twee jaar eerder had ik er nog zelf aan meegedaan, maar sinds ik op de zondagavond had moeten kiezen tussen Studio Sport en Firma Onrust, het enige televisieprogramma waar nog wel eens aandacht werd besteed aan Hip Hop, had ik voetbal uit mijn leven gebannen en viel het mij pas op hoe infantiel de mensheid daar van werd. Het was enkele maanden voor ik op kamers zou gaan wonen, zoals mijn oudere broer al twee jaar eerder naar Rotterdam was vertrokken. Daar woonde hij met enkele vrienden in een huis dat op het punt stond gesloopt te worden. Ook zij waren door de massapsychose geïnfecteerd. Mijn vader had hem aan de telefoon gesproken en vertelde dat ze bezig waren de voorkant van hun huis oranje te schilderen. Ik besloot mijn broer te bellen en kreeg zijn huisgenoot Luuk aan de lijn.

‘Je spreekt met Herman Kersenbrood van het Algemeen Dagblad,’ sprak ik met ietwat verbogen stem. ‘Ik reed zojuist bij jullie in de straat en zag dat jullie bezig waren de buitenkant oranje te schilderen. Is dat vanwege het WK?’ Luuk was blij verrast dat de pers dit zo snel had opgemerkt en vertelde met plechtige stem wat voor goede supporters zij waren: zij stonden pal achter de spelers! ‘Het leek me wel iets voor de krant,’ loog ik verder. ‘En ik heb het er net met mijn hoofdredacteur over gehad, en die denkt zelfs aan een foto voor de voorpagina.’ Luuk kon zijn vreugde nu niet meer voor zichzelf houden en informeerde zijn huisgenoten bij hem in de kamer. Een luid gejuich klonk door de telefoon. Het enthousiasme bemoeilijkte zelfs mijn gesprek met Luuk, die zijn vrienden dan ook streng tot kalmte maande, omdat hij meneer de journalist zo niet meer kon verstaan.

‘Ik heb al een fotograaf geregeld, maar die is nog even een spoedje op de Van Brienenoordbrug aan het schieten,’ verzon ik verder: ‘Een ongelukje met een vrachtwagen geloof ik. Is het goed als hij over een uurtje langskomt?’ Alsof mijn vraag door heel de kamer had geklonken, hoorde ik een luid ‘Ja, natuurlijk!!!’ Ik legde uit dat het voor de foto misschien mooier was als het huis nog niet helemaal af was, zodat de foto kon worden genomen als ze er nog mee bezig waren. Ook dat was geen enkel probleem: ze zouden het werk onmiddellijk staken en in de tussentijd wel een biertje drinken.

Een uurtje later belde ik weer, maar dit keer onder mijn eigen naam. Aan het rumoer in de kamer te horen was er inderdaad al flink wat bier doorheen ging. Ouders, vrienden en iedereen die maar belde, was al op de hoogte gebracht van de aanstaande faam van het studentenhuis. Ook ik kreeg het verhaal van Luuk direct te horen: ‘Er komt hier straks een fotograaf van het AD en wij komen op de voorpagina!!!’ Mijn enthousiasme liet te wensen over: ‘Wat een kwaliteitskrant is dat toch.’ Volgens Luuk was het duidelijk dat ik jaloers was, zielig jaloers zelfs. ‘Werden jullie dan gebeld door Herman Kersenbrood?’ wilde ik weten. Ook hierin meende Luuk cynisme te herkennen; het was bovendien niet waar, want hij wist de naam niet meer. ‘Jawel,’ drong ik aan: ‘Dat moet Herman Kersenbrood zijn geweest.’ Terwijl Luuk liet merken geen zin in mijn gezeik te hebben, riepen zijn huisgenoten op de achtergrond dat de lijn nu vrij moest blijven, aangezien de journalist ieder moment kon komen. Luuk moest sowieso nog snel de trui van zijn studentenhuis aantrekken, want het moest natuurlijk wel duidelijk zijn dat wie de mensen op de foto waren. ‘Waarom weet je dat dan zo zeker?’ wilde Luuk besluiten. En vlak voordat het massale gevloek door de lijn klonk, antwoordde ik: ‘Omdat ik die naam wel vaker gebruik als ik een grap uithaal.’