woensdag 7 januari 2009

Weggepest uit de buurt (deel 5)
Feuilleton voor tijdschrift EssensiE, door D.C. Lama. Voor eerdere delen, zie hier.

In mijn flat in Overtoomse Veld (Amsterdam-Slotervaart) woonde ik met bejaarden, waar ik wegens eerder vermelde omstandigheden tussen kon wonen. ‘Beschermd wonen’ heette dat voor die bejaarden, wat betekende dat die oudjes daar lekker met elkaar konden betten op de overloop of in het kantoortje van de huismeester. Het was er zogezegd chill op zijn oudjes. Na enkele jaren werd het complex echter overgenomen door stichting Cxrdxxn, die op het lumineuze idee kwam tussen die hulpbehoevende bejaarden opvangwoningen voor zogenaamde probleemjongeren te plaatsen. Samen met de psychiatrische patiënten op de tweede verdieping en de fameuze bevolkingssamenstelling die onze wijk haar nationale bekendheid gaf, vonden de bestuurders van Cxrdxxn dit blijkbaar een goede combinatie. De bestuurders van Cxrdxxn krijgen van ons belastingsgeld circa 2 ton salaris per jaar, dus wie ben ik om aan hun beoordelingsvermogen te twijfelen?

De Cxrdxxnbestuurders legden deze plannen overigens niet zelf aan ons uit: daarvoor hadden ze dames ingehuurd die ‘manager’ op hun kaartje mochten zetten. “Dat zal geen overlast geven, hoor: daar merken jullie echt hé-le-maal niets van!” De dames bezworen het ons tijdens een bijeenkomst op de maandagmiddag. Op tafel hadden ze thee, koffie en veel, lékker véél koekjes en dingetjes met suiker geplaatst. Tussen het snoepen door luisterden de bejaarden, die zo’n bijeenkomst eigenlijk wel gezellig vonden. “En als er al eens iets is, dan kunnen jullie ons altijd bellen!” Dat laatste was me ook al eens verteld over de psychiatrische patiënten boven me. Maar toen mijn bovenbuurman een doorgedraaid kruitvat bleek te zijn die hele nachten door zijn huis denderde, vormde het bellen op zich ook geen enkel probleem: er werd alleen nooit iets mee gedaan. Daar kenden de oudjes overigens nog wel meer voorbeelden van, die zij ook best tijdens deze bijeenkomst wilden uiten. “Neemt u nog maar iets lekkers van het schaaltje,” greep de supermanager echter adequaat in: “Vanaf nu zal alles beter gaan. En trouwens: alles is toch al lang besloten.”

Begin 2008 werd de plek van de huismeester daarom 24/7 ingenomen door vrouwelijke welzijnswerkers van begin 20. Nou heb ik daar op zich natuurlijk niets op tegen... Maar met de welzijnswerkers werden ook de eerste appartementen door de probleemjongeren ingenomen, keurig verdeeld over alle etages in het flatgebouw. Ze hadden één ding met de oudjes gemeen: ook zij spraken elkaar graag op de overloop, alleen deden zij dat bij voorkeur ‘s nachts, met luide stem en vele vrienden in de luidruchtige taal die volgens mij fandastráát heet. Als schrijver die vaak ‘s nachts in stilte pleegt te schrijven, had ik er geregeld last van; de oudjes durfden van angst hun ogen in bed niet meer te sluiten. De eerste keer dat ik vriendelijk verzocht of het wat stiller kon, gingen de jongeren beleefd weer naar binnen. De tweede keer werd ik welhaast terug mijn huis in geduwd door een dertiger in wie ik een pooier van mijn buurmeisjes meende te herkennen. Het meisje van 17 naast mij had volgens de welzijnswerkers wat moeite de juiste vrienden uit zoeken. Dat kon ik wel bevestigen: door de muren heen hoorde ik haar een aantal keer door haar ‘vriend’ in elkaar geslagen worden, iets waarop de welzijnswerkers op mijn aandringen dan nog wel wilden ingrijpen. Maar verder had zij ‘gewoon een beetje moeite de juiste vriendjes uit te zoeken’, kon de jongen ook gewoon weer terugkeren en haar wederom in elkaar slaan, en daar bleef het dan ook bij. De term ‘beschermd wonen’ was blijkbaar niet voor de jongeren bestemd. Overigens ook voor de ouderen niet meer, aangezien die sinds de komst van de probleemjongeren nog opvallend weinig buiten hun huis durfden.

De nieuwe jongeren, die iedere maand weer een aantal appartementen meer bewoonden, krasten namen van voetbalclubs op de muren, braken met regelmaat de spiegel in de lift, spuugden op de vloerbedekking op de overloop en in de lift, konden je een hele gangwandeling strak aan blijven kijken zonder op een ‘hoi’ of ‘hallo’ te reageren, reden met draaiende brommers de afgesloten gangen binnen en vonden ook nog manieren om bijvoorbeeld het knopje waarmee je de lift kon roepen er met een mesje uit te frunneken.

Volgt nu snel de ontknoping van dit feuilleton ‘Weggepest uit de buurt?’ Vast wel, denkt u niet?

Wordt vervolgd