maandag 1 december 2008

Blowende feiten?
Ingezonden artikel aan het NRC. Een ingekorte versie van dit stuk werd afgelopen vrijdag in de krant gepubliceerd.

'Blowende feiten' luidt de kop van het hoofdcommentaar (24 november) over de opgelaaide discussie rond coffeeshops en cannabis. Het stuk bevat echter niet één hard en controleerbaar feit, schrijft Derrick Bergman.

Zolang cannabis nog niet is gelegaliseerd, is een goed zicht op handel, teelt en gebruik onmogelijk. In de huidige situatie zijn we aangewezen op schattingen en die hebben vaak een politieke lading. Consumenten en verkopers zijn namelijk niet de enige groepen die belang hebben bij drugs. Hulpverleners, politie en justitie willen allemaal hun begroting op peil houden en voor politici zijn drugs een gedroomd onderwerp om hun daadkracht te etaleren en electoraal te scoren. In dit krachtenveld produceren onderzoekers doorlopend cijfers over drugs, gebaseerd op steekproeven, extrapolaties en schattingen. Waaruit journalisten dan weer conclusies trekken. Zo stelt de NRC-commentator: 'Naarmate cannabis makkelijker te krijgen is, neemt het gebruik ervan toe'. Dat zou betekenen dat nergens ter wereld zoveel cannabis wordt gerookt als in Nederland; in geen enkel ander land bestaan immers coffeeshops. Het commentaar vermeldt echter ook dat het Nederlandse gebruikscijfer 'ongeveer het Europees gemiddelde' bedraagt. De feiten over het THC-gehalte van nederwiet lijken wel hard. Dit gehalte zegt echter weinig over potentie en effect; THC is één van de ruim twintig cannabinoïden die dit effect bepalen. Los daarvan zijn aan het gebruik van cannabis met een hoog THC-gehalte 'niet of nauwelijks extra risico's' verbonden, zoals het C.A.M. in 2004 concludeerde.

Veelal zonder bronvermelding doet de NRC-commentator stevige uitspraken, zoals: 'scholieren die blowen zijn vaker agressief'. Nou heb ik in mijn leven veel agressieve alcoholgebruikers gezien, maar nog nooit een agressieve blower. Een ander sweeping statement: de bevoorrading van coffeeshops 'is grotendeels in handen van de georganiseerde misdaad, die ook in pillen, hasj, cocaïne en heroïne handelt'. Waar komt deze informatie vandaan? Heeft de redactie een overzicht van alle coffeeshop-leveranciers en hun nevenactiviteiten? Het probleem van de huidige situatie is juist dat niemand weet hoe de bevoorrading van coffeeshops tot stand komt. Dit soort schattingen is per definitie natte vingerwerk, meestal uitgevoerd door justitie en politie. Feiten levert dat niet op. Zelfs ogenschijnlijk objectieve cijfers kloppen niet. Bijvoorbeeld over het aantal coffeeshops: dat zou gedaald zijn van 1197 -onvermeld blijft wanneer er zoveel shops waren- tot 729. Maar vier dagen eerder berichtte NRC Next dat het aantal shops is gedaald van 846 in 1999 tot 702 in 2007. Addertje onder het gras: de cijfers komen van onderzoeksbureau Intraval, dat zich in 2000 blameerde door het aantal thuisdealers in Amsterdam te schatten op twee.

Net zoals met cijfers kun je ook met juridische interpretaties alle kanten op. Met grote stelligheid beweert de NRC dat een experiment met gereguleerde cannabisteelt 'juridisch onmogelijk' is. Alleen voor medische of wetenschappelijke doeleinden zou Europa een uitzondering maken. Als dit waar zou zijn, dan zouden er nooit coffeeshops bestaan kunnen hebben. Internationale verdragen bieden Nederland ruimte om het opportuniteitsbeginsel te hanteren, zodat een wettelijk verboden handeling structureel onvervolgd kan blijven. Volgens dit beginsel is gereguleerde teelt wel degelijk mogelijk. Waar het om gaat is de politieke wil en moed om een pragmatisch en consistent roesmiddelenbeleid te voeren. De kabinetten Balkenende verkiezen een moreel gegrond beleid, waarin cannabis geldt als gevaar en alcohol als gezellig. Illustratief zijn de uitspraken van VWS-minister Ab Klink in Buitenhof van 23 november. Klink verklaarde zich tegenstander van het verhogen van de leeftijdsgrens voor alcohol, van zestien naar achttien. 'Wij komen de afgelopen jaren, ook ik persoonlijk eerlijk gezegd, daartoe ingelicht door artsen, tot de conclusie dat drankgebruik op 16-jarige leeftijd écht schadelijk is voor de hersenen van kinderen. Dat is geen schade die weer voorbij gaat, die is permanent. Dat kan een behoorlijke inbreuk zijn op de gezondheid van kinderen. Dan is de reflex heel snel: dan moet de overheid gelijk maar regels gaan stellen.'

Die reflex is kabinetsbeleid als het gaat om coffeeshops, paddo's en growshops. Maar niet bij alcohol. Klink: 'We gaan eerst maar eens een andere route volgen: voorlichting, ouders die hun verantwoordelijkheid nemen, scholen die hun verantwoordelijkheid nemen. Om nu te gaan zeggen dat iemand van zeventien geen pilsje mag nemen, dat vind ik veel te ver gaan.' De maatschappelijke en persoonlijke schade van alcoholgebruik is vele malen groter dan die van cannabisgebruik. Toch gaat de discussie steeds weer over de 700 coffeeshops in ons land en niet over de ruim 12.000 verkooppunten van alcohol. De Amsterdamse burgemeester Job Cohen is in dat opzicht een witte raaf. Op de dag van de Almeerse 'Wiet-top' verklaarde hij bij Pauw & Witteman: 'Ik bepleit geen harde aanpak van alcohol, ik bepleit een gelijke behandeling van softdrugs en alcohol.' Dat gaat mij wat ver: op 12.000 coffeeshops zit niemand te wachten, op tv-reclame voor cannabis -zoals nu voor drank- evenmin. Maar het lijkt me een goed idee om wat minder met twee maten te meten en te stoppen met het demoniseren van cannabis, coffeeshops én paddo's. Terecht stelt de NRC dat 'er iets moet gebeuren aan coffeeshops'. De enige logische en houdbare oplossing is verdere normalisering en regulering van de hele 'cannabis-keten'.

Het ís maar hennep
Reactie op het artikel 'Het is maar hennep, zei iedereen’ van Max Daniel dd 18 oktober 2008.

De uitspraken van de Friese politiecommissaris Max Daniel (Zaterdag&cetera, 19 oktober) geven blijk van weinig kennis over de hennepteelt in Nederland. Merkwaardig dat juist hij de landelijk verantwoordelijke politieambtenaar is, schrijft Derrick Bergman.

Volgens Daniel kweekten mensen 'in de jaren zeventig' op zolderkamertjes wiet en is de teelt daarna overgenomen door de georganiseerde criminaliteit. De feiten zijn anders. Positronics, de eerste growshop van Europa, opende in 1985 haar deuren in Amsterdam. Het duurde tot begin jaren negentig voordat nederwiet in de koffieshop doorbrak; daarvoor domineerden buitenlandse wiet en hasj het menu. Daniel's stelling dat de kleine zolderkweker is 'uitgestorven' mag een gotspe heten. Vanaf 2000 zijn honderden kleine kwekers hun huizen uitgezet en door woningbouwverenigingen op zwarte lijsten geplaatst. Vanwege een paar hennepplanten zijn gezinnen met kleine kinderen dakloos gemaakt. Willens en wetens is het fijnmazige systeem van kleine kwekers die de koffieshops bevoorraadden de nek omgedraaid. Tegelijkertijd werd ruim baan gegeven aan grote kwekers, die er doorgaans heel andere normen en waarden op nahouden dan hun voorgangers. Resultaat: de prijzen stegen, de kwaliteit daalde, versnijding en vervuiling van wiet deden hun intrede en het geweld rond teelt en handel nam toe.

De overheid koos er expliciet voor om de grote kwekers hun gang te laten gaan, onthulde de Algemene Rekenkamer in het rapport 'Handhaven en gedogen' (2005). Citaat: “Hennepteelt waarvan geen overlast uitgaat (met name de – soms zeer bedrijfsmatig georganiseerde- teelt in loodsen en op industrieterreinen) krijgt geen prioriteit.” Drie jaar later huilt Daniel krokodillentranen over de 'verwevenheid tussen onder- en bovenwereld' en stelt hij dat hennepkwekers liquidaties laten uitvoeren. Voor zover ik weet zijn de spraakmakende liquidaties van de afgelopen jaren bijna zonder uitzondering onopgelost gebleven. Misschien omdat de politie zo druk was met het jagen op thuiskwekers? De ongemakkelijke waarheid is dat politie en justitie de huidige situatie zelf geschapen hebben door grote kwekers ongemoeid te laten en de kleintjes meedogenloos te vervolgen. Daarmee werd niet alleen de criminaliteit gestimuleerd, maar stegen ook de gezondheidsrisico's voor honderdduizenden consumenten; het versnijden van wiet is een direct gevolg van de verharding die de overheid in gang heeft gezet. Anders dan Daniel zegt werden koffieshops tot het begin van deze eeuw nog grotendeels bevoorraad door kleine kwekers, die eer stelden in een goed product.

Over dat product doet Daniel een aantal opmerkelijke uitspraken. 'Met een paar zaadjes in een bak krijg je geen rendabele oogst', bijvoorbeeld. Hij vergeet dat hennep onkruid is en tot 's werelds snelst groeiende gewassen behoort; met wat zorg leveren die paar zaadjes in een bak wel degelijk een leuke opbrengst op. Gekloonde stekjes, hydroapparatuur en CO2-verdampers zijn daarvoor niet nodig. Cannabiszaad is niet verboden en alle overige benodigdheden zijn bij tuincentra te koop. En als Daniel weet hoe je een wietplant in vier weken 'tot rijping' brengt, dan zou ik graag weten hoe je dat aanpakt. Om aan te tonen wat er zo erg is aan het kweken van hennep, brengt hij ook het THC-percentage in stelling. Nog afgezien van het feit dat THC maar een van de vele werkzame stoffen is: een hoog percentage is niet 'erg'. Al in 2001 verklaarde Els Borst, toen minister van volksgezondheid, dat een hoog THC-gehalte 'eigenlijk een positieve kwaliteitsnorm' is. “Je hoeft dan minder te roken om hetzelfde resultaat te bereiken.” En in het 'Actieplan Ontmoediging Cannabis' (2004) erkent het tweede kabinet Balkenende: “Op basis van de beschikbare gegevens concludeert het CAM (Coördinatiepunt Assessment en Monitoring nieuwe drugs, db) dat er in het algemeen niet of nauwelijks extra risico’s zijn verbonden aan het gebruik van cannabis met een hoger THC-gehalte.”

Daniel kondigt een koerswijziging van de politie aan: opslagruimtes van koffieshops, de zogenaamde stashes, worden voortaan structureel 'aangepakt en geruimd'. 'Omdat ze voornamelijk zijn bedoeld voor export', aldus de commissaris. Opnieuw een valse voorstelling van zaken. Omdat koffieshops frequent en streng worden gecontroleerd op een maximale voorraad van 500 gram, zijn ze gedwongen via zo'n aparte opslagruimte hun voorraad aan te vullen. Bij grotere shops is dit meerdere keren per dag nodig, met alle risico's van dien. Lokaal heerst totale willekeur op dit gebied: medewerkers die de voorraad aanvullen worden in de ene gemeente ongemoeid gelaten en in de andere aangehouden en vervolgd. In plaats van op de koffieshophouders, zou Daniel zijn pijlen moeten richten op de politiek, die het grijze gebied tussen voor- en achterdeur in stand houdt. Meer repressie heeft nauwelijks invloed op het cannabisgebruik maar leidt wel tot meer en hardere criminaliteit, corruptie en vervuiling van het product. In de afgelopen jaren is het aantal koffieshops gehalveerd, de kleine kweker is uitgeroeid en in de overgebleven shops mag zelfs niet meer gerookt worden. We zouden bijna vergeten hoe succesvol de koffieshop is. Het hard drugsgebruik en het aantal drugsdoden is uitzonderlijk laag in ons land, net als het percentage HIV-positieven onder hard drug gebruikers. Het cannabisgebruik is gemiddeld tot laag, de scheiding der markten is een feit en wie wel eens een koffieshop bezoekt, weet dat integratie wel degelijk bestaat in Nederland.

Terecht stelt Egbert Tellegen in zijn boek 'Het utopisme van de drugsbestrijding' (2008) dat de koffieshop 'allang uitgeroepen [had] moeten worden als de belangrijkste sociale innovatie van de afgelopen halve eeuw.' De problemen die er rond koffieshops en hennep bestaan, komen voort uit het door de overheid gecreëerde 'grijze gebied'. De oplossing is het opzetten van een werkbaar systeem, in overleg met deskundigen en de branche zélf. Koffieshophouders en hun klanten zijn namelijk het meeste gebaat bij het buitenspel zetten van georganiseerde criminaliteit. Er is dringend behoefte aan verdere normalisering en decriminalisering, niet aan nog meer contraproductieve politie-inzet. Want laten we niet vergeten: het ís maar hennep, een relatief onschadelijk, niet verslavend genotmiddel, waar nog nooit iemand aan dood is gegaan en dat wereldwijd door miljoenen mensen probleemloos en met plezier wordt gebruikt.

PvdA moet nú drugsbeleid redden
Door Derrick Bergman. Gepubliceerd in het Eindhovens Dagblad dd 21 mei 2008.

Als Kamerlid overhandigde staatssecretaris van justitie Nebahat Albayrak (PvdA) in april 2004 een zakje wiet aan justitieminister Donner, tijdens een overleg over het drugsbeleid. Met haar ludieke actie wilde zij onderstrepen hoezeer soft drugs geïntegreerd zijn in onze maatschappij. Het is dan ook onbegrijpelijk dat Albayrak -en de rest van haar partij- anno 2008 werkeloos toeziet hoe het Nederlandse drugsbeleid wordt afgebroken. door Derrick Bergman

Hoewel het gedoogbeleid in 1976 onder een CDA-minister (Van Agt) van kracht werd, is de huidige christendemocratie al zo'n twee decennia bezig dit succesvolle beleid kapot te maken. Het was Ernst Hirsch Ballin die tijdens zijn eerste periode als minister van justitie (1989-1994) het 'harm reduction'-principe verruilde voor een op repressie en strafrecht gebaseerde aanpak. Een van de resultaten van deze koerswijziging was de IRT-affaire, die hem als minister de kop kostte. Sinds zijn terugkeer als justitieminister zet Hirsch Ballin zijn jacht op alles wat met drugs te maken heeft met hernieuwd enthousiasme voort. Helaas ligt aan zijn denken één fundamenteel misverstand ten grondslag: dat het aanpakken van handel en teelt van drugs de vraag en het aanbod afremmen. De vraag naar roesmiddelen is niet alleen zo oud als de mensheid maar ook vrijwel inelastisch. Meer repressie zet een mechanisme in werking dat al sinds de Amerikaanse Drooglegging glashelder is: de prijzen stijgen, de aantrekkingskracht op criminelen neemt toe en daarmee de risico's op vervuiling van het verboden middel en een toename van geweld en corruptie rond de handel en productie.

Heel kort samengevat: verbieden helpt niet. Vanuit die vaststelling is in de jaren zeventig het concept van harm reduction ontwikkeld, waarbij de centrale vraag steeds luidt: hoe minimaliseren we de schade voor de individuele gebruiker van een roesmiddel en voor de samenleving als geheel? Het toestaan van gecontroleerde koffieshops, die voorzien in de vraag naar wiet en hasj, is een logische en effectief gebleken uitwerking van dit concept. Hetzelfde geldt voor het toestaan van geestverruimende paddestoelen in smart shops. In beide gevallen is de gebruiker niet overgeleverd aan anonieme dealers, krijgt hij informatie over het product en de risico's van het gebruik, terwijl de overheid toezicht houdt en belasting int. Het is aan de besluiteloosheid van de Paarse kabinetten te danken dat het gedoogbeleid in de jaren negentig niet van een degelijke juridische basis is voorzien. De landelijke politiek bleef doof voor noodkreten van onder meer de burgemeesters Stekelenburg en Leers om 'de achterdeur', de aanvoer van koffieshops, deugdelijk te regelen.

In plaats daarvan werd begin deze eeuw voor de zoveelste keer het botte wapen van de repressie van stal gehaald: de jacht op de kleine thuiskweker van wiet werd geopend. Sindsdien zijn honderden mensen hun huizen uitgezet en op zwarte lijsten van woningbouwverenigingen beland. De prijzen van wiet zijn geëxplodeerd en de teelt is overgenomen door grootschalige kwekers die niet schromen zand, glasvezels of vloeibare versnijdingsmiddelen aan hun wiet toe te voegen. Hier is eerder sprake van 'harm stimulation' dan van harm reduction. Toch dendert dit kabinet op de ingeslagen weg voort. Hirsch Ballin werkt aan een verbod op 'alles wat de productie van cannabis faciliteert', inclusief growshops en hennepbeurzen. Zelfs het aanbieden van 'gegevens' over de wietteelt moet verboden worden. Dat anno 2008 in heel Europa growshops te vinden zijn en dat vrijwel hun volledige assortiment ook bij ieder tuincentrum verkrijgbaar is, doet niet terzake of is onbekend. Het is louter symboolpolitiek, die geen of averechtse effecten oplevert. Dat laatste geldt voor het geplande paddo-verbod, dat een nieuw crimineel circuit creeërt, terwijl de markt nu nog volledig bonafide en gecontroleerd functioneert.

Het is hoog tijd dat de PvdA een einde maakt aan de onzinnige en contraproductieve koers van dit kabinet. In plaats van het verder af te breken, moet het gedoogbeleid eindelijk worden geformaliseerd. Niet met emoties en electoraal effectbejag als uitgangspunt, maar met wetenschappelijke feiten, zoals de rapporten van het CAM (Coördinatiepunt Assessment en Monitoring nieuwe drugs) die een paddo-verbod sterk ontraden. En na ruim dertig jaar verdienen de koffieshops erkenning voor hun rol in het effectief scheiden van de markten voor soft en hard drugs. Dat betekent een fatsoenlijke regeling van de achterdeur en het afzien van symboolpolitiek, zoals de Rotterdamse regels over de nabijheid van scholen of de onwerkbare voorraadregel. Eigenlijk precies de dingen die Albayrak in 2004 bepleitte toen ze Donner een zakje wiet cadeau deed.

Derrick Bergman is publicist en fotograaf en werkt o.a. voor EssensiE en de VPRO Gids

Costa heeft bergen boter op zijn hoofd
Antonio Maria Costa, topman bij de VN inzake drugs, waarschuwt in de NRC van 4 augustus dat West-Afrika ten prooi valt aan drugskartels. De ontwikkelingen die hij beschrijft, tonen juist aan dat de door de UNOCD gepropageerde drugsprohibitie wereldwijd rampzalige consequenties heeft, terwijl het drugsgebruik er niet door afneemt. Door Derrick Bergman, 4 augustus 2008.


Op Youtube staat een aardig filmpje met Costa in de hoofdrol, tijdens de 51e sessie van de UNOCD in Wenen, in maart van dit jaar. Onderdeel van die sessie was een vergadering met non-gouvernementele organisaties (NGO's), geïnspireerd door een uitspraak van Costa zelf over NGO's: 'We don't need silent partners, we need dynamic outspoken ones!' Maar op het moment dat de Amsterdamse psychiater Freek Polak, als vertegenwoordiger van de organisatie ENCOD, het woord neemt, toont Costa zijn ware aard. Polak heeft een simpele vraag, die hij al eens eerder aan de VN-topman heeft gesteld: hoe is het toch mogelijk dat in Nederland, waar cannabis vrij verkrijgbaar is voor volwasssen, minder cannabis wordt gebruikt dan in de omliggende landen waar het verboden is? Opnieuw weigert Costa op deze vraag in te gaan. Na wat gestamel en aantoonbaar onjuiste informatie over Nederland, kapt hij de discussie resoluut af met de woorden 'we are not a debating society, we want to solve the world drug problem.” Tot verbijstering van Polak.

Costa's club, de UNOCD, streeft naar een 'volledig drugsvrije wereld'. Die doelstelling heeft weinig met de realiteit te maken, de gevolgen ervan helaas wel. Wie zich enigszins in de materie heeft verdiept, kent die gevolgen: criminalisering van burgers, corruptie bij politie en justitie, financiering van criminelen door het instandhouden van hun markt en het kunstmatig opdrijven van de prijs van drugs, een gebrek aan kwaliteitscontrole en bijkomende gezondheidsrisico's en exorbitant hoge kosten voor de belastingbetaler. Het meest bizarre gevolg is dat het drugsgebruik niet daalt door de 'oorlog tegen drugs', maar juist stijgt. Dat is wat Freek Polak bedoelde met zijn vraag. De resultaten van het Nederlandse beleid trekken de bodem onder de hele drugsprohibitie uit; reguleren vermindert het gebruik, prohibitie verhoogt het gebruik. Op 1 juli berichtte de NRC nog dat de Amerikanen, de uitvinders van de drugsoorlog, wereldwijd de grootste drugsgebruikers zijn. 16,2 procent van hen heeft ooit cocaïne gebruikt en 42,2 procent cannabis. De score voor Nederland: 1,9 procent (cocaïne) en 19,8 procent (cannabis). Criminologen wijzen op het 'waterbed-effect' van drugsbestrijding, zowel lokaal als internationaal; ingrijpen op plek a, leidt onherroepelijk tot meer drugshandel op plek b. Het totale drugsaanbod blijkt vrijwel immuun voor overheidsoptreden.

Nu wil Costa dan ook Afrika betrekken in de wereldwijde drugsoorlog. Hij wil meer geld voor drugsbestrijding op het armste continent ter wereld. Geld voor boten, vliegtuigen, radar en containerbeveiliging. 'Snel en gezamenlijk optreden van de hoogste autoriteiten kan het gebied nog redden' luidt de onderkop van Costa's pleidooi. Let wel: niet redden van de honger, aids, oorlog of armoede, maar van drugs. En dat zegt de man die weigert in te gaan op de feiten die bewijzen dat de drugsoorlog niet alleen onwinbaar is, maar ook contraproductief. Drugs horen niet thuis in het strafrecht, evenmin als de verslavende middelen alcohol, tabak en koffie. Als Costa drugsmisbruik daadwerkelijk tegen wil gaan, dan moet hij zich richten op regulering, voorlichting en kwaliteitscontrole. De internationale gemeenschap moet inderdaad ingrijpen, zoals Costa schrijft. Dat ingrijpen moet eindelijk leiden tot een fundamentele heroverweging van de wereldwijde drugsprohibitie. Costa's dictatoriale gedrag in Wenen heeft bewezen, dat hij daartoe zelf niet in staat mag worden geacht.

Laat koffieshops eindelijk met rust
Omdat rokers 'ronduit agressief' benaderd worden dient dat ook te gebeuren met bezoekers van koffieshops, meent oud-politieman Fred Kruijer (NRC 6 augustus 2007). Zijn bewering dat politici hun vingers niet durven branden aan de aanpak van koffieshops raakt kant noch wal. Door Derrick Bergman.

Kruijers artikel bevat een aantal fouten. Het adagium 'een tevreden roker is geen onruststoker' -dus niet 'een hasjroker is geen onruststoker'- is gemunt door Robert Jasper Grootveld. Deze Amsterdamse 'anti-rook magiër' was weliswaar een belangrijke inspiratie voor Roel van Duyn's Provo-beweging, maar Grootveld was zelf geen Provo. Nog minder waar is Kruijers bewering dat politici ervoor terugschrikken koffieshops streng aan te pakken. Midden jaren negentig telde Nederland zo'n 1500 koffieshops; in 2005 was dat aantal gekelderd tot 729. De maximale hoeveelheid cannabis per transactie is verlaagd van dertig naar vijf gram. Aanwezigheid van een minderjarige bezoeker leidt tot tijdelijke sluiting en bij herhaling tot definitieve sluiting. Maar volgens Kruijer 'blijven we toegeeflijk glimlachen om een puber met een joint'.

Die puber heeft zijn joint in elk geval niet in de koffieshop gekocht; de puberteit is de levensfase tussen ongeveer tien en achttien jaar. Pubers komen de koffieshop niet in. Uit onderzoek van justitie blijkt dat jongeren tussen twaalf en zeventien vooral via vrienden en bekenden aan cannabis komen. Als Kruijer klaagt dat de 'scherpe scheiding tussen cannabis en andere drugs steeds minder relevant lijkt te worden', kan hij zich beter inzetten voor het verlagen van de leeftijdsgrens voor koffieshops van achttien naar zestien. Die grens is jarenlang gehanteerd door justitie, juist omdat 16- en 17-jarigen bij uitstek risico's lopen als zij zich op de illegale markt voor drugs begeven. Op die markt geldt inderdaad geen scherpe scheiding tussen hard en soft drugs. Daarom is midden jaren zeventig het gedoogbeleid juist ontwikkeld.

Je hoeft geen Nostradamus te heten om te kunnen voorspellen waar een algeheel rookverbod in koffieshops toe zal leiden. Als binnen roken niet mag, zal het buiten gebeuren. Natuurlijk, je kunt blowen op de openbare weg verbieden, zoals in de gemeente Den Haag en een aantal wijken in Amsterdam. Kruijer geeft zelf echter al aan dat we roken op het schoolplein 'in de praktijk niet tegen kunnen houden'; dat geldt uiteraard nog sterker voor roken op de openbare weg. Het rookvrij maken van koffieshops creëert dus automatisch overlast en kat-en-muis-spelletjes met de politie, als zij haar tijd zou gaan verspillen aan de handhaving van een blowverbod op straat. Vergeleken met de aanpak van alcoholmisbruik onder jongeren, alcoholverkoop aan jongeren en alcoholreclame is de aanpak van koffieshops zonder meer draconisch te noemen. Neem Rotterdam, waar zestig koffieshops hun deuren moeten gaan sluiten omdat ze 'te dicht bij een school staan'.

In plaats van de overgebleven 729 koffieshops nog verder dwars te zitten, zou de politiek zich eens bezig moeten houden met de ruim 60.000 legale verkooppunten van alcohol in ons land. Uit onderzoek van de Voedsel en Warenautoriteit blijkt dat de kans dat een kind onder de zestien (!) een succesvolle aankooppoging van alcohol doet groter is dan negentig procent. In bars en cafés is die kans ongeveer 98 procent, aldus de VWA. Gezien het aantal alcoholdoden in het verkeer, alcoholgerelateerde agressie en vandalisme en de onherstelbare hersenbeschadiging bij jeugdige drinkers zou de politiek er beter aan doen de koffieshops en hun volwassen bezoekers eindelijk eens met rust te laten en de strijd aan te gaan met koning alcohol.

Balkenende’s bezopen drugsbeleid
In geen enkel Europees land drinkt de jeugd zo jong en zo veel alcohol als in Nederland. Honderden illegale drankschuren voor minderjarigen onttrekken zich aan elke controle of regelgeving, de alcohol-lobby boekt het ene succes na het andere en de Breezers vliegen de supermarkt uit. Hoog tijd om paddo’s te verbieden en nog meer koffieshops te sluiten. Door Derrick Bergman, 31 maart 2007.

Er is al veel gezegd en geschreven over het onzalige plan van een rechtse Kamermeerderheid om paddo’s te verbieden. Er komt nu een onderzoek, heeft volksgezondheidsminister Ab Klink laten weten. Dat politici nooit verder dan vier jaar vooruit kijken wist ik al, maar verder dan vier jaar terug kijken is blijkbaar ook onmogelijk. In januari 1998 verscheen de nota ‘Smart shops en nieuwe trends in het gebruik van psychoactieve stoffen’ van de Werkgroep Smart Shops, bestaande uit topambtenaren van de ministeries van VWS, Justitie, Binnenlandse Zaken, de politie, de Vereniging Nederlandse Gemeenten enzovoort. Citaat van pagina 14:

‘Psilocybine en psilocine (de werkzame stoffen in paddo’s, db) zijn bij “normale” gebruiksdoseringen nauwelijks toxisch. Van lichamelijke afhankelijkheid is geen sprake, noch van ernstige lichamelijke schade. De grootste risico’s zijn roekeloos gedrag onder invloed van de stof en het ondergaan van een zogenaamde “bad trip”. De kans op het ervaren van een “bad trip” wordt vergroot als de stof wordt geconsumeerd door psychisch instabiele mensen. Echter, hoe naar en angstaanjagend deze trips ook kunnen zijn, bad trips leiden normaliter niet tot blijvende geestelijke problemen.” Iets verder, op dezelfde pagina: “Het psilocybine-gehalte van in de natuur gevonden paddenstoelen kan sterk verschillen, wat bij gebruik risico’s met zich meebrengt. Het grootste risico is echter dat het veelal bijzonder moeilijk is om de psilocybine paddenstoel te onderscheiden van andere, soms bijzonder giftige paddenstoelen. In de literatuur zijn vele verwisselingen van paddenstoelen beschreven, waarbij een fatale afloop niet onbekend is.’

Als paddo’s straks inderdaad helemaal uit de smartshop worden verbannen is het een kwestie van tijd voordat het wild plukken van psychoactieve paddenstoelen zal toenemen. De doden die hierbij kunnen vallen mogen rechtstreeks op het conto worden geschreven van de Kamerleden (van CDA, VVD, PVV en ChristenUnie) die nu oproepen tot een verbod. Dat zijn veelal dezelfde Kamerleden die willen dat koffieshops ‘nabij scholen’ worden gesloten. Nog zo’n staaltje averechtse symboolpolitiek. Is het in Den Haag bekend dat elke koffieshophouder doodsbang is dat een minderjarige klant door zijn controlesysteem glipt, omdat dit vrijwel altijd leidt tot tijdelijke of definitieve sluiting van zijn zaak? Koffieshops met elektronische poortjes en verplichte legitimatie voor elke klant zijn al lang geen uitzondering meer.

Heeft iemand in Den Haag al eens bedacht dat de explosieve stijging van alcoholgebruik onder jongeren wel eens te maken zou kunnen hebben met het steeds strengere koffieshopbeleid, gecombineerd met een buitengewoon effectieve alcohol-lobby? Uit onderzoek van de Voedsel en Warenautoriteit blijkt dat de kans dat een jongere onder de zestien een succesvolle aankooppoging van alcohol doet groter is dan negentig procent. In bars en cafés is die kans ongeveer 98 procent, aldus de VWA. Waarom mogen jongeren van zestien en zeventien legaal zoveel alcohol kopen en drinken als ze willen, terwijl ze niet eens een koffieshop mogen betreden? Waarom krijgt een kroegbaas 460 euro boete als hij alcohol verkoopt aan kinderen onder de zestien en wordt een koffieshop dicht getimmerd als er ook maar één persoon aanwezig is die nog geen 18 is? Waarom kunnen er op het platteland honderden illegale drankschuren blijven bestaan, waar kinderen zich voor een schijntje bedrinken, zonder enig toezicht? Waarom mag een koffieshophouder nog geen wietblaadje op zijn raam plakken, terwijl er op televisie volop geadverteerd wordt voor alcohol, vaak expliciet gericht op jongeren?

Dat komt omdat alcohol leuk en gezellig is, ook al eist dit genotsmiddel jaarlijks 3500 dodelijke slachtoffers in Nederland (bron: Jellinek), tegen nul dodelijke slachtoffers wegens gebruik van wiet of hasj. Dus als onze minister-president een studentenvereniging bezoekt, biedt hij gezellig een gratis vat bier aan. En als Balkenende voor een televisie-portret op stap gaat met Paul Rosenmöller, dan heft hij voor de camera olijk een enorme bierpul tijdens de bierfeesten in München. Van zo’n man hoef je geen serieuze maatregelen te verwachten tegen het groeiende alcoholprobleem in Nederland. Wat we wel kunnen verwachten is nog meer druk op koffieshops, growshops en smartshops. En meer onderzoek, natuurlijk. Onderzoek waaruit keer op keer blijkt dat het ‘harm reduction’-concept, dat in Nederland tussen 1976 en 1996 leidend was in het middelenbeleid, veel succesvoller is dan de repressieve, op Amerikaanse leest geschoeide, aanpak.

De vraag naar bewustzijnsverruimende middelen is de eeuwige constante in elk debat over genotsmiddelenbeleid. Repressie leidt nooit tot vermindering van de vraag, maar wel tot toename van vervuilde, versneden of anderszins vervuilde drugs, corruptie bij overheid en politie en grotere winsten voor criminelen. Het middelenbeleid van de kabinetten Balkenende is bezopen en brengt de volksgezondheid ernstig schade toe. Als de overheid verder gaat op de ingeslagen weg zal het aantal slachtoffers, van alcohol én drugs toenemen. Vanaf september groeien de psychoactieve kaalkopjes (psilocybe semilanceata) weer volop in Nederland. Als het heilloze paddo-verbod dan al van kracht is zal het druk worden in het bos en op de heide.

Demonisering van cannabis is politieke en economische strategie.
Er is nauwelijks een onderwerp denkbaar waarover zoveel hardnekkige mythes en kromme redeneringen de ronde doen als cannabis. De reportage ‘tieners stoppen met blowen in de afkick-kliniek’ staat er bol van. Door Derrick Bergman, 9 april 2006.

‘Steeds meer jongeren zoeken hulp om van hun cannabisverslaving af te komen’ begint de reportage in het Zaterdags Bijvoegsel van 8 april. In 2001 stonden er 550 jongeren in deze categorie ingeschreven bij instellingen voor verslavingszorg, vijf jaar later gaat het om 1100 cliënten. Een buitengewoon kleine groep dus, zeker vergeleken met de 800.000 probleemdrinkers in ons land. Bovendien, zo blijkt uit het verhaal, kampen deze 1100 jongeren met ernstige problemen: ze zijn bijvoorbeeld seksueel misbruikt of door hun ouders het huis uitgetrapt. En meestal gebruiken ze ook andere drugs dan cannabis: coke, speed of alcohol. Niettemin gaat het in het verhaal en bij de instellingen vrijwel uitsluitend over cannabis.

Susanne Wegen van verslavingsinstelling Mistral vertelt waarom: het THC-gehalte in cannabis is zo gestegen dat je het ‘kunt vergelijken met hard drugs’. Deze mythe is de laatste jaren erg populair bij politici en hulpverleners. Nu de zogenaamde stepping stone-theorie -cannabis is altijd een opstapje naar hardere drugs- eindelijk naar het rijk der fabelen is verwezen was blijkbaar een nieuwe cannabismythe nodig. Dus hoor je steeds dezelfde mantra: de wiet van nu is onvergelijkbaar met het onschuldige jointje uit de jaren zestig. Ten eerste werd er in de jaren zestig nauwelijks wiet gerookt, maar bijna uitsluitend buitenlandse hasj. Hasj is een concentraat van wiet en bevat doorgaans veel meer THC. Tussen de vijftien en twintig procent, ongeveer het percentage van de zo gevreesde nederwiet van tegenwoordig.

Daar komt bij dat THC slechts een van de vele werkzame stoffen in cannabis is. Meer dan twintig cannabinoïden zorgen in een nog vrijwel onbekend samenspel voor het effect. De obsessie met de hoogte van het THC-percentage houdt hiermee geen rekening. De redenering dat wiet met veel THC eigenlijk een hard drug is onzinnig: een stof krijgt geen andere eigenschappen als de kwaliteit ervan toeneemt. Een hoger percentage werkzame stof betekent alleen maar dat je minder nodig hebt om het gewenste effect te bereiken. Zoals voormalig VWS-minister Els Borst uitlegde tijdens het nationale jeugddebat 2001: “Een hoog THC-gehalte is eigenlijk een positieve kwaliteitsnorm. Je hoeft dan minder te roken om hetzelfde resultaat te bereiken. En dat betekent dat je minder teer en nicotine binnenkrijgt.”

Al vaker is geconstateerd, onder meer door Frits Rüter, hoogleraar strafrecht aan de Universiteit van Amsterdam, dat justitie en hulpverlening verslaafd zijn geraakt aan de drugsbestrijding. Net als de politie hebben ook clubs als het Trimbos-instituut rechtstreeks belang bij de demonisering van cannabis. Dat levert namelijk omzet op. Harald Wychgel, voorlichter bij het Trimbos, geeft dat onomwonden toe in het verhaal. De gestegen hulpvraag heeft volgens hem te maken met de toegenomen bekendheid van de hulpverlening. In de media komen namelijk vooral de hulpverleners aan het woord. En hun horrorverhalen vinden een gewillig oor bij politici, die van oudsher graag scoren met drugs, door een ‘keiharde aanpak’ te bepleiten. Illusiepolitiek, zoals de veel hogere gebruikscijfers in het strenge Amerika al jaren bewijzen.

Van een krant als NRC/Handelsblad verwacht ik evenwichtige berichtgeving, met wederhoor en controle van ongestaafde beweringen. ‘Soms is bij het afkicken van cannabis medicatie nodig’ stelt Susanne Wegen van Mistral. Waarom? Hoe vaak is soms? Welke medicijnen worden gebruikt en waartegen? We komen er niet achter. Red Bull is verboden in de afkickkliniek, maar een van de straffen is ’s morgens vroeg koffie zetten. Belangrijkste werkzame stof in koffie en Red Bull: cafeïne. En zo kan ik nog wel even door gaan. De waarheid is dat de schadelijke effecten van cannabis in vergelijking met die van drugs als alcohol, cocaïne en heroïne en vrijwel alle slaapmiddelen en antidepressiva minimaal zijn.

De demonisering van cannabis is een politieke en economische strategie. Deze strategie leidt tot meer repressie, die de prijzen opstuwt, kwaliteitscontrole onmogelijk maakt, de aantrekkingskracht op jongeren vergroot, criminele beurzen spekt en de rechtsstaat corrumpeert. Afkick-klinieken voor cannabis zijn een cynische vorm van symptoombestrijding. Hulpverleners kunnen zich beter druk maken over de achterliggende omstandigheden die bij een minuscuul deel van de cannabisgebruikers tot problemen leiden.

Pak de drugswetten aan
Reactie op artikel in het Eindhovens Dagblad, door Derrick Bergman, 3 april 2006.
Als het om drugs gaat, geldt sinds jaar en dag één gouden regel: hoe meer repressie, hoe hoger de prijzen en hoe aantrekkelijker de teelt en handel. Het pleidooi in het E.D. van 31 maart om ‘niets en niemand ontziend’ op te treden tegen ‘de criminelen die de wietteelt in handen hebben’ is dan ook een klassiek voorbeeld van het paard achter de wagen spannen.

Ook de rest van het hoofdredactionele commentaar staat vol onlogische aannames en mythes die niet stroken met de werkelijkheid. Neem de veelgehoorde stelling dat de wietteelt vrijwel geheel in handen is van ‘keiharde criminelen’ die arme sloebers onder druk zetten om wiet te telen. De Utrechtse criminoloog Frank Bovenkerk kwam als eerste met deze theorie. Dezelfde Bovenkerk die tijdens de IRT-verhoren van de commissie van Traa beweerde dat ‘tientallen procenten van de Turkse mannen in Nederland’ betrokken waren bij heroïnehandel. Een bewering die hij nog dezelfde week moest terugnemen, omdat hij er geen enkel bewijs voor had.

Ook over intimidatie en geweld tussen criminelen en wietwekers heeft Bovenkerk geen enkel hard cijfer of onderzoek. In een interview met maandblad EssensiE over zijn boek Misdaadprofielen, waarin de vermeende intimidatiepraktijken voor het eerst opduiken, gaf hij dit ruiterlijk toe. Op de vraag of hij hiervoor harde bewijzen heeft, antwoordt Bovenkerk: “Ik bespreek twintig politie-acties in het boek en ik heb het die politiemensen steeds gevraagd. Niet eens suggererend, ik liet ze gewoon zelf vertellen. Ze komen altijd zelf en op hun eigen manier met intimidatiepraktijken. Tastbaar bewijs vormden een paar woningen die zijn afgebrand.” De vraag welk deel van de teelt op deze manier georganiseerd is, kon hij niet beantwoorden: “Geen idee. Weet ik echt niet.”

En dan de growshops. ‘Een van de redenen waarom de thuisteelt zo’n vlucht heeft genomen, is de toename van het aantal growshops’, stelt uw commentator. De werkelijkheid is dat de populariteit van het thuis wiet kweken heeft geleid tot een toename van de growshops. ‘Niemand verbiedt de growshops de benodigde onderdelen voor de teelt te verkopen’ klaagt de commentator, waarna hij ‘die slappe houding’ hekelt. Tja, het is nu eenmaal niet verboden om potaarde te verkopen, of plantenbakken. Zelfs de lampen die de wietplantjes doen groeien, bekend van het Westland en vaak geproduceerd door Philips, staan niet in het wetboek van strafrecht. Al zouden alle growshops van Nederland morgen dichtgespijkerd worden, dan blijven al die producten vrijelijk te koop bij tuincentra, bouwmarkten en bloemenwinkels.

Aan het einde van het stuk komt nog een populaire mythe voorbij: wiet is tegenwoordig zo sterk dat het eigenlijk een hard drug geworden is. Dit is een fabeltje: een stof krijgt geen andere eigenschappen als de kwaliteit ervan toeneemt. Wiet is, in tegenstelling tot de meeste hard drugs, niet lichamelijk verslavend en er is nog nooit één dode gevallen door een overdosis wiet of hasj. Een hoger percentage werkzame stof betekent alleen maar dat je minder nodig om het gewenste effect te bereiken. Zoals voormalig VWS-minister Els Borst uitlegde tijdens het nationale jeugddebat 2001: “Een hoog thc-gehalte is eigenlijk een positieve kwaliteitsnorm. Je hoeft dan minder te roken om hetzelfde resultaat te bereiken. En dat betekent dat je minder teer en nicotine binnenkrijgt.”

Het verbod op cannabis is een Amerikaanse uitvinding, die met dwang over de hele wereld is verspreid. Het wordt steeds duidelijker dat de ‘War on drugs’ een tragische vergissing is, die contraproductief en corrumperend werkt. In Amerika is het gebruik van alle drugs, inclusief cannabis, veel hoger dan in Nederland. Toch kun je de Amerikaanse overheid moeilijk beschuldigen van een slappe houding inzake cannabis. Nederland moet eindelijk de volgende stap zetten in haar drugsbeleid en de cannabisteelt legaliseren. Daarmee wordt de criminaliteit buiten spel gezet en effectieve controle op veilige teelt mogelijk gemaakt. Een veel groter risico dan een hoog thc-gehalte is namelijk het totaal ongecontroleerde gebruik van pesticiden bij de teelt. Daar hoor je onze rappende justitieminister nou nooit over.

Een harde aanpak van de cannabisteelt, zoals het Eindhovens Dagblad voorstelt, is de beste manier om de criminele beurzen te spekken. De realiteit is dat ruim een miljoen Nederlanders af en toe wiet of hasj roken. Zij weten uit eigen ervaring dat dit genotmiddel in veel opzichten veiliger is en minder schadelijk voor hun gezondheid dan alcohol. Cannabis hoort niet thuis in het strafrecht. Iets wat de Maastrichtse burgemeester Leers goed begrijpt. Op de website van de gemeente Maastricht legt hij de vinger op de zere plek: “We zijn in Europa –Nederland voorop- verslaafd geraakt aan de drugsbestrijding. Als we daar verstandiger mee weten om te gaan, kunnen duizenden politieagenten achter échte boeven aan gaan jagen.”

Derrick Bergman is publicist en fotograaf en werkt o.a. voor EssensiE en de VPRO Gids