zaterdag 1 maart 2008

De documentaire van Wilders
Door D.C. Lama, gepubliceerd in Het Parool van donderdag 6 maart 2008

Stel nou eens dat de film van Geert Wilders een documentaire is, die begint met de moord op Theo van Gogh. Over de beelden van Theo in de Linnauesstraat zien we de aankondigingstitels, waarna een commentaarstem terecht stelt dat op die dag een ernstige aanslag is gepleegd op de vrijheid van meningsuiting in Nederland. Om dat te illustreren heeft Wilders ook diverse verklaringen van kunstenaars in de media verzameld, waarin zij stellen dat zij sinds die moord wel drie keer nadenken voordat zij een grap, een commentaar of zelfs een kritische filosofische bespiegeling over de Islam publiceren. Want dat is waar: anoniem mag er op het internet dan wel van alles worden gepubliceerd, columnisten, cartoonisten (ook ik), cabaretiers, filmmakers en andere kunstenaars hebben met dit onderwerp nou niet bepaald uitgepakt als normaliter bij een dergelijke gebeurtenis. Geen Korantekst werd op een getekende stijve lul van Mohammed B. geprojecteerd, geen opblaaspop werd afgebeeld als een Koran-de-luxe, geen enkele hyperbool van de gewraakte scene in de film Submission verscheen als represaille tegen de gewelddadige moralist, wat in de Nederlandse traditie van geëngageerde kunstenaars toch vrij gebruikelijk is. We keken wel uit.

Hetzelfde zou Wilders kunnen illustreren met de Deense cartoonrellen. De Mohammed met een bom in zijn tulband werd een dusdanig icoon, dat cartoonisten zoals ik dat beeld normaliter in honderden variaties in weer nieuwe cartoons zouden gebruiken. Maar dat deed ik niet: het zou de profeet Mohammed tenslotte weer afbeelden, waarvan de mogelijke consequenties ondertussen bekend waren. En dus worstelden mijn collega’s en ik daar een tijdje mee, om er vervolgens massaal van af te zien. Niet uit piëteit (toen minister Donner opriep religieuze gevoelens niet te kwetsen verscheen Jezus direct in allerlei mogelijke compromitterende teksten en afbeeldingen), want conform Magritte’s Ceci n’est pas une pipe, beschouwt de kunstenaar zijn werk als kunst: hooguit confronterend, maar zonder schadelijke gevolgen in zichzelf.

En dus zou de film van Wilders na de openingsscene goed kunnen beginnen met zijn aankondiging een film te willen maken. Een film! We zien direct de nieuwsuitzendingen van die avond en de angstige reacties die erop volgden: doe het toch vooral niet! Niet omdat Wilders geen film zou mogen maken, maar omdat we bang zijn voor de dreiging van geweld. Het is de glijdende schaal van masserende censuur, culminerend in een intimiderende oproep van de minister van Buitenlandse Zaken om van uitzending af te zien, iets wat rechtstreeks tegen artikel 7 van de grondwet lijkt in te gaan: ‘Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio- of televisie-uitzending.’ De discussie die de afgelopen maanden over een inhoudelijk onbekende film is gevoerd, is een uitstekende illustratie van de manier waarop de vrijheid van meningsuiting met de kaasschaaf wordt beperkt: doe dit maar even niet, zie maar af van dat, et cetera. Of, zoals de minister president het formuleert: je mag het wel doen, maar als idioten dat aangrijpen voor terreur, is dat jouw verantwoordelijkheid. Het punt dat Wilders zegt te willen maken -dat de inperking van onze vrijheden door de dreiging van terreur weer een fascistisch element in onze samenleving is geworden- zou met zo’n documentaire uitstekend geïllustreerd kunnen worden.

Wellicht dat Wilders daarom na de persconferentie van Balkenende verklaarde dat zijn film juist die dag klaar was: hij had daarmee tenslotte een uitstekende slotscene. Hij heeft voor zijn film dan in ieder geval een goede titel voor gekozen: Fitna (beproeving). Een beproeving waarvoor Jan-Peter Balkenende ruimschoots is gezakt.