woensdag 9 januari 2008

Vrouwtjes Widow en Haze
Kort verhaal van D.C. Lama, voor EssensiE (januari 2007)

Ik had het kunnen weten, want ik had er die avond zelfs nog van gerookt. Maar toch: het was zó’n prettige gewoonte geworden, dat ik waarschijnlijk niet wilde weten dat het nu echt over was. Het was eind oktober, de klok was zelfs alweer teruggezet, en in het oosten van de stad had ik de afronding van een groot project gevierd. Het was laat, koud, het had flink geregend en ik had een fietstocht van zo’n drie kwartier naar casa Lama voor de boeg. Na verscheidene dagen gedoe buitenshuis (ik had thuis alleen geslapen), verlangde ik met ziel en zaligheid naar de wereld die de bank mij te bieden had: Mijn video had de afgelopen dagen goede programma’s opgenomen; voor de inwendige mens lag er van alles in de koelkast; ik had waanzinnig veel zin om eens lekker te rukken en ik had een vers boek van Seymour Hersh in huis, om bij te griezelen over het kwade in de mens.

Oost, er leiden vele wegen naar, en minstens zoveel vandaan. Vanwege mijn obsessie ze allemaal te kennen, fietste ik met een veel te zuidelijke bocht mijn weg naar west. Ik had wat biertjes op, wat jointjes, en ik had die dag ook nog eens veel te hard gewerkt, dus ik verdiende het eigenlijk al om thuis te zijn, zo getuigde ik mijzelf toen ik het fietsen meer dan zat was. Het fijnstof van het autoverkeer dat in de miezel bleef hangen, bedekte mijn transpirerende voorhoofd met een smerige laag olieresten; ranzige brommers blokkeerden op kruispunten de fietspaden en sproeiden zo hun vergif in grote hoeveelheden mijn mond in; een lichtcontrole in de verte (waarschijnlijk in het kader van de oorlog tegen terrorisme) lieten mij bovendien nog wat extra omwegen maken. Home. Think of home, hoorde ik the Good witch Glenda in mijn hoofdje zeggen, waarna Diana Ross daar het gelijknamige nummer inzette. When I think of home, I think of a place, where there is...

Om me op te peppen dacht ik aan een lekker jointje en iets te drinken. Die prettige gedachten werden echter alweer snel verstoord door de praktische kant van dat vooruitzicht. Als ik straks thuis was, moest ik natuurlijk eerst mijn fiets opbergen, per trap of lift naar boven, het licht aandoen, m’n jas ophangen enzovoorts, om dan uiteindelijk nog iets voor mezelf te moeten inschenken, voordat ik eindelijk eens met het draaien van een megajoint kon beginnen. Aan het lijden leek voorlopig geen einde te komen: ik had duidelijk een meer instant kick nodig. De weg was nog recht- en rechtdoor, en dan nog recht- en rechtdoor. Even overwoog ik een algehele staking uit te roepen, maar kon -behalve stoppen- daar geen enkel voordeel van bedenken.

‘Als ik straks thuis ben,’ zo probeerde ik nogmaals. Het stond me ineens duidelijk voor ogen: de liefde moest het antwoord zijn! Wat was er nou heerlijker dan straks thuis te komen en direct, het licht nog uit en de jas nog aan, door te lopen naar mijn balkon, waar mijn vijf lieve vriendinnetjes mij vrolijk zouden begroeten? Heerlijk, die mooie wietplantjes! Beetje bijschenken uit de klaarstaande petflessen met water, de blaadjes aanraken en dan kijken hoe ze van me opbloeien. Het heerlijke Zijn; ik was er bijna en hoefde nog slechts één heuvel in west te beklimmen.

Het Home in mijn hoofd had plaatsgemaakt voor het kitscherige I see you when I get there, als boodschap voor de dames dat ik er aan kwam. Het volume nam dan ook toe naarmate ik dichterbij kwam, ik mijn voordeur achter mij sloot, door mijn donkere huis naar achteren liep, mijn balkondeur opende.... gedood! Alle planten waren hartstikke dood! Weg! Met een vlijmscherp mes waren de takken genadeloos afgesneden. Uit de potten staken eenzame stammen, met her en der een wat uitgelopen, maar even stellig afgesneden zijtak. Al het groen van de planten was verdwenen. Ik had het alweer enige tijd geleden zelf gedaan, maar toch: dat was ik even vergeten! Ik had me er juist zo op verheugd nog even lekker met mijn kop tussen de takken te zitten. Want wat is het toch heerlijk om als buitenkweker lekker de dames te inspecteren als een masochistische meester, om ze daarna nog even lekker te betasten en bevochtigen. Wat is het leven in de stad toch goed te doen wanneer je aan het einde van de dag nog even lekker in het oerwoud kunt vertoeven. Hoe fijn zou het zijn om nu...

Ik staarde naar de plekken waar eerder het groen domineerde, maar waar niets meer zat en de ijzeren staven van mijn balkonrand weer zichtbaar waren. Daarachter lag de stad in haar meest desolate vorm. Mijn handen liet ik zweven door de plekken waar ze door niets meer werden tegengehouden. Fantoompijn van mijn planten, zo realiseerde ik mij. Maar gelukkig had ik daarvoor sinds kort weer een geweldig medicijn.