zaterdag 8 mei 2004

Uit de toespraak van Geert Mak in de Nieuwe Kerk te Amsterdam

Verzet is nooit een vanzelfsprekendheid. Het is een pijnlijke vorm van dwarsliggen, die door je omgeving meestal niet in dank wordt afgenomen. Het duurt lang voordat het woord ‘illegaliteit’ een heldenstatus krijgt. Als je kijkt naar de leeftijden van de partizanen die zich in Warschau doodvochten, de jongens en meisjes in de Feranse maquis, de koeriersters en de knokploegen van het Nederlandse verzet, dan schiet het telkens weer door je heen: wat waren de meesten eigenlijk jong, zeventien, twintig, met commandanten van vier-, vijfentwintig. Voor verzet heb je idealen nodig, en passie, en grootsheid. En tegelijk een diep geworteld gevoel van moraliteit.

Veel mensen hebben moeten wennen aan het idee van verzet. Het waren brave burgers die er pas gaandeweg van overtuigd raakten dat hier alle grenzen werden overschreden. ‘Het algemeen verbreide besef dat je voor geweld niet wijkt maar je ertegen verzet is van nu, van achteraf, niet van toen,’ schreef Primo Levi, de grote Italiaanse chroniqeur van de concentratiekampen. En, laten we eerlijk zijn, bij velen is dat besef nooit gekomen. Ze keken niet, of ze keken weg. En ze weigerden de kwellende dialoog met zichzelf aan te gaan, omdat hun rust, hun loopbaan, en een ordelijk verloop der dingen voor hen zwaarder wogen.

De volledige tekst is te lezen via deze link

Tevens aangeraden:
De radiodocumentaire Ondergronds verzet